Warm

Warm

Spits. De trein waarin ik zit stroomt bijna helemaal leeg en direct weer vol. Stoelen krijgen geen tijd om even lucht te happen. Het volgende zitvlak dient zich aan als de warmte van de vorige nog niet eens is opgetrokken.

Als het rustig is in de trein, gaat iedereen zo ver mogelijk bij elkaar vandaan zitten. In elk ‘viertje’ gaat eerst één persoon zitten. Pas als overal al iemand zit, gaan mensen bij elkaar zitten. Eerst er tegenover, want dat schept toch nog wat afstand. Tot slot, als het niet anders meer kan, dan pas ernaast.

Terwijl vrijwel iedereen opstaat blijf ik zitten, want Den Bosch is niet mijn halte. De jongen naast mij stapt ook niet uit maar verplaatst, zodat hij nu tegenover me zit en niet achter- maar vooruit rijdt. De stoet instappers vult het gangpad. Er wordt neergeploft en neergezegen.

Zoals verwacht wordt de stoel waar de jongen zat meteen ingenomen. Een meisje met een bos rode krullen en gaat zitten met haar tas op haar knieën. Haar gezicht trekt in een grimas vol afkeer. Ze buigt samenzweerderig naar voren en zegt: “Oei, gats. Er zat hier net iemand met een héél warme kont.”

>>