Laat haar

Laat haar

Ik zag haar al staan op het perron. Zij zag mij niet, ze zag niemand. Stille tranen op haar wangen. Kom maar bij me, dan zeg ik tegen de mensen dat ze niet zo moeten kijken.

Ze keek in het niets, snikte niet eens, terwijl de tranen bleven komen. De kou maakte wolkjes van haar adem.
Haar gedachten ver weg stapt ze in, zonder aandacht loopt ze het trapje op. Zachte stapjes, alsof ze er eigenlijk niet is.

Dan, ineens, ontwaakt ze. Het nat nog op haar ogen beseft ze dat alle blikken op haar gericht zijn: in een mix van medelijden en nieuwsgierigheid maakt ieder een verhaal. Even overvalt de onzekerheid haar. Terug gaan en alleen buiten de coupé op het trapje gaan zitten? Ze besluit anders en neemt plaats naast het raam. Enkelen zonder gène blijven haar volgen. Ze kijkt naar buiten, naar de één dag oude sneeuw. Het schemert al een beetje. Ongemerkt zal het in een paar minuten donker zijn en is in het raam slechts nog de reflectie van de treincoupé zichtbaar. Vreemd, hoe je ernaar kunt kijken en het dan toch niet ziet gebeuren. De donker is gewoon plotseling daar.

Het verdriet weet haar weer te grijpen. Ze laat het komen, ze kan niet anders nu, vele ogen nog altijd onafgewend.

Laat haar toch, laat haar zijn. Het komt wel goed.

>>