Dropjes

Dropjes

Het is alsof zij haar moeder mee op reis neemt in plaats van andersom. Niet groter dan een meter is ze toch al een verschijning waar mensen even naar omkijken. Ze wacht op dezelfde trein als ik en komt naast me zitten. Echt naast me, zodat de vlechtjes in haar kroeshaar tegen mijn arm kriebelen. Ze slaat haar glinsterende bruine ogen naar me op en vraagt: “Wil je een dropje?”. Heel toevallig heb ik zelf ook dropjes, waarvan ik er een in mijn mond heb. Ik laat haar het zakje zien. “Ik wou dat die van mij er ook zo uitzagen”, zegt ze. Ik moet toegeven dat mijn gekleurde autodropjes een vrolijker geheel vormen dan haar zakje muntdrop. “Eentje ruilen?”, vraagt ze slim. Ze mag er zelf een paar uitkiezen en zit tevreden te kauwen, haar blik onafgewend op mij gericht. “Kom je bij ons zitten”, vraagt ze als we even later de trein instappen. Uit een glimlach van haar moeder begrijp ik dat ik welkom ben. “Ik heet Annabel. Waar ga jij heen? Ik ga naar mijn tante in Amsterdam. Mag ik haar ook zo’n dropje geven?” Ze praat met me, een volwassen kind, haar hand liefdevol op mijn arm. Haar openheid raakt me, ze is aanwezig en slim, puur en onschuldig, vol verwondering en nieuwsgierigheid. De vanzelfsprekendheid waarmee ze me tegemoet treedt is ontroerend echt. In Den Bosch moet Annabel overstappen, ik blijf zitten. Teleurgesteld dat dit het einde van ons gesprek betekent, slaat ze haar armen om mijn nek. “Dag”, fluistert ze in mijn oor. Als ik haar over het perron weg zie huppelen, voel ik in het vakje op mijn tas een handje muntdropjes. Ineens zijn ze mooi. Dankjewel, Annabel.

>>